Als een sardientje in een blik sta ik – op 27juli 2014, tien voor zeven – in het startvak van de Ironman Zürich. Steeds word ik strakker tegen mede-atleten in neopreen gedrukt. We piepen nog net niet als we bewegen met onze pakken. Gelukkig ben ik niet claustrofobisch aangelegd en blijft mijn hartslag rond de 70 steken. Ik kan er alleen maar om glimlachen.

 

De startkooi gaat open. Eventjes lijkt het of de wedstrijd al begonnen is. Iedereen sprint naar het water om te vechten voor het beste plekje. Net op tijd wordt er gestopt. Met een start in het water kan ik nog wel snel weg zwemmen, maar met zo’n renstart ben ik niet zo vlot. Met als gevolg dat ik in het water meer dan 1000 triatleten over me heen krijg die me voorbij willen. Daarom sta ik ook iets links aan de buitenkant. Daar heb ik de ruimte, in het midden niet, dat noemen ze ‘de wasmachine’.

 

‘One minute to go!’

Piep-piep-piep…

Ik kan de minuut goed aftellen met de pacer onder mijn badmuts. Dat is een machientje wat piept, dat help me om mijn zwemslagen in het juiste ritme te houden.

En dan mogen we!

Ik ben redelijk goed weg en kom in een groepje terecht. Daarin zwemt een schoppende man. Zodra hij maar een luchtbubbel aan zijn grote teen voelt geeft hij een enorme kickslag opzij. Dat is misschien goed te doen als je in je eentje zwemt, maar nu is het niet te doen. Koekoek…&*$#…auw! Hij schopt tegen mijn voorhoofd als ik hem inhaal. En bedankt… ik moet weg hier en ik zwem door naar de volgende groep en dat is wat ik doe de komende 3,8 km lang zwemmend door de stromende hobbelige Zürichsee.

 

 

Ik heb maar één wens op dit moment en dat is zwemmen onder het uur. En hoewel ik er niet echt mee bezig wil zijn kijk ik halverwege toch even op mijn klokje, ik zit op 32 minuten, dat is langzamer dan ik wil. Ik houd mijn hoofd erbij en zwem door, van groep naar groep en met iets meer dan een uur kom ik het water uit. Dat is lang, maar echt lang sta ik er niet bij stil. Het is al prachtig dat ik hier ben vandaag. Want een paar weken geleden dacht ik niet eens te kunnen starten. Toen schreef ik het volgende op mijn blog:

 

De laatste maanden heb ik steeds ondefinieerbare pijnlijke benen met fietsen. De beoogde trainingen op wedstrijdtempo kan ik met regelmaat niet doen. Ook met hardlopen wil het allemaal niet. De langste duurloop van 24km loop ik eind april. Mijn hoofd wil meer dan mijn lijf aan kan. Dat is al jaren zo, maar meestal wint mijn hoofd het uiteindelijk. Of neem ik wat meer rust en herstelt mijn lijf zich. Dit gebeurde nu niet. Ik twijfel dit jaar enorm of ik wel kan finishen als het in de voorbereiding al zo moeizaam gaat. Onzeker als de pest. Bedankt voor alle luisterende oren en bemoedigende woorden!

Ik begrijp niet waar mensen met continue blessures en klachten het plezier uit kunnen halen. Mijn plezier bereikt in elk geval een dieptepunt tijdens de estafette triathlon in Stein. Zo wil ik geen wedstrijden doen…zoveel pijn in de benen, terwijl ik niet eens hard fiets of op hoge hartslag rij.

Twee weken voor de Ironman krijg ik een voorhoofd-, bijholte- en beginnende oorontsteking en ben ik erg aan het hoesten. Alle verwachtingen vervliegen en ik hoop maar dat ik me goed genoeg voel om te starten. Helemaal fit voel ik me niet. Ik zie wel waar het schip strand. Ik ga starten. Hoe lang ik er ook over doe…

 

Snel trek ik mijn bodywarmer en mouwstukken aan en snel naar mijn fiets. Ik ren – met de fiets aan de hand – weg en kom erachter dat ik verkeerd loop… oeps! Maar al snel zit ik op de fiets en mag ik langs de ‘Gold Coast’ van Zürich rijden. Om me heen Jaguars, Masarati’s, Porches en andere dure auto’s, stuk voor stuk halen ze me in. Maar ok andere atleten, hele groepen, halen me in. Ik ben niet zo snel, al vanaf het begin zit er geen power in mijn benen. En dat was te verwachten. Ik wist dat dit zou gebeuren en heb dus geen paniek. En gelukkig heb ik niet die vervelende pijn waar ik de laatste tijd zo’n last van had.! Het regent en ik heb het niet heel warm. Ik geniet van de omgeving en van het feit dat ik daar toch maar even fiets!
Daarbij heeft niet zo hard rijden ook zo zijn voordelen. Ergens rond de 60km ben ik getuige van de geboorte van een kalfje!! Dat heeft vast niemand anders gezien. Voor de lange afdalingen is het niet fijn dat het regent. Deze afdalingen durfde ik met de verkenning redelijk hard te laten lopen, maar nu durf ik dat niet.

Bij 80km begin ik me af te vragen wanneer ‘Heartbreak Hill’ komt.Bovenaan staan Martijn en mijn vader en zou het zwart moeten zien van de supporters. Maar zoveel zie ik er eigenlijk niet. En die klim? Die is ook best lang. Is dit echt wel een kilometer? Het lijkt veel langer. Die Zwitserse kilometers duren echt lang! Maar dan zie ik Martijn! Heel even stop ik en pak bidons, repen en een zoen aan. Ik zwaai naar mijn vader en ga weer verder. Door voor de tweede en laatste ronde. Totaal fietsen we 180 km, ik ben bijna op de helft.

 

Maar dan – als ik rond de 150 km zit – heb ik het niet meer. Ik zie iemand lopen en ik kan mezelf net behoeden om aan diegene een mobiel te vragen. Ik wil Martijn bellen en zeggen dat hij me mag komen halen. Ik weet niet meer hoe ik moet zitten, staan of hangen op mijn fiets. Eigenlijk wil ik ook niet meer zitten op die fiets, waarom doe ik dit?!

Ik verman mijzelf en spreek mezelf moed in. “Het gaat inderdaad niet snel, dat geeft niks. Het wordt een lange dag. Een paar dagen geleden wist je niet of het überhaupt mogelijk was om te starten! Je doet mee aan de Ironman! Take it easy! Neem die medaille mee naar huis!” vertel ik mezelf en trap door, voorbij de wandelaar met de telefoon, voorbij mijn twijfels. Ik trap door totdat ik het parc ferme zie en ik ben nog nooit zo blij geweest daar te zijn. Ik mag hardlopen en heb er bijna zin in.
Ik hang mijn fiets op, pak mijn loopschoenen, doe mijn helm in mijn tas, trek mijnn bodywarmer uit, doe mijn sokken aan, hup voeten in mijn schoenen en gaan! Nog 42,2 km te gaan.
De eerste ronde gaat goed, ik loop 10,5 km in 58 minuten, dat is heel goed en zo voelt het ook. Het lijkt er zelfs op dat ik dit heel lang kan volhouden. Langs de kant zie ik Martijn weer staan en ook hij is blij verrast, ik ga goed en hij ziet het. Even rent hij met me mee. Dat is fijn.
Maar dan, rond kilometer 25 is het gedaan. Mijn onderrug, buik en voeten doen zeer, ik heb trek en mijn energie is op.
Ik begin te sjoggelen, dat is een mix van sjokken, joggen en wandelen. En ik sjoggel van kilometer naar kilometer. Even krijg ik een opleving, als ik me besef dat ik de finish ga halen. Ik word emotioneel. En zet het om in mijn looppas. Om me heen hoor ik de aanmoedigingen: Pink Lady, you can do it, you look fit, we’re proud, hejaheja hoppa hoppa en weet ik niet wat allemaal nog meer.

En dan opeens een bordje, ik hoef nog maar anderhalve kilometer tot de finish. Ik sjoggel door en het publiek om me heen klinkt enthousiast. Ze maken me blij. De harder ze juichen, de blijer ik word. Met mijn armen de lucht in en met de grootste lach die ik nog in mij heb passeer ik de finish!!

 

Ik heb het gehaald!!

 

Tranen van blijdschap.

 

“Het is onmogelijk”, zei trots
“Het is riskant”, zei ervaring
“Het is zinloos”, zei het verstand
“Geef het een kans”, fluisterde het hart

“Ik heb het gedaan” snikte ik toen.

 

 

(Achteraf blijkt het zwemgedeelte te lang te zijn geweest, geen 3,8 maar 4,2 kilometer, dus eigenlijk zwom ik een nette tijd, binnen het uur.)