Lekke banden, modder, stof en de beroemde kasseien spraken me wel aan toen ik mij in november 2016 inschreef voor de Parijs Roubaix Challenge in april 2017. Ik zou op 8 april 2017 172 kilometer gaan fietsen waarvan 55 kilometer kasseien, een dag voorafgaand aan de wedstrijd, dit jaar voor de 115e keer.

Roubaix was eind negentiende eeuw een stad die wereldwijd bekend stond om haar wolindustrie. Er woonden veel arbeiders. De ‘rue des Longues-Haies’ staat nog steeds symbool voor de arbeidersstrijd. De enige rustdag was zondag en op die dag was het mogelijk om te ontspannen en om bijvoorbeeld een wielerkoers te kijken.  Mede hierom  was Roubaix een geschikte plaats om in 1895 de ‘Velodrome Roubaisien’ te bouwen. Daar vindt sinds 19 april 1896 de aankomst plaats van de koers die een van de monumenten van de wielersport zal worden: Parijs Roubaix.

Dat Velodrome was voor mij het startpunt op vrijdag 7 april om mijn startbewijs op te halen. Daarvoor moest ik aanschuiven in een lange rij van overwegend mannen met baarden en tatoeages.  Zaterdagochtend om vijf uur vertrok ik in een bus naar Bussigny, de startplek. Het zou die dag stralend weer worden dus ik had op zaterdagochtend handschoenen aan met korte vingers. Het was echter drie graden  en mistig. In de bus zag ik de andere deelnemers  wegdommelen. Zelf zat ik als een stokstaart overeind van de spanning. Wat had ik mezelf aangedaan? Ik was getraind maar ik had nauwelijks ervaring op kasseien.

Vanwege de kou  had ik bij de eerste kasseienstrook nog bevroren vingers. Het geweld van de kasseien verraste me. Het getril had wel als voordeel dat ik na die eerste strook mijn vingers weer voelde.  Tegelijk besloot ik alles los te laten qua richttijden.  Het rijden op de kasseien was zo zwaar dat de tocht uitrijden mij ineens een dappere prestatie leek.  Eenmaal los hiervan was er ruimte om te genieten. Na vier kasseienstroken lukte het me om niet meer krampachtig mijn handen bij de remmen te houden en kon ik losjes met mijn handen op het stuur midden over de kasseien rijden. Helaas had ik toen al zoveel opengegane blaren dat ik moest rijden met open wonden.  Pas bij de finish was een eerstehulppost.  Een Brit passeerde en vroeg naar mijn stemming. Ik zei dat ik genoot en toonde mijn handen. De Britt: ‘The blisters will heal, but the memory will last.’ En dat was ook exact mijn gevoel toen in het Velodrome binnenreed na 172 kilometer.

1 Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.