In februari gingen de 34 fietsers van ‘Epe fietst voor Water’ op weg. Zij fietsten 750km door de binnenlanden van Kenia, een monstertocht voor het goede doel: water voor het dorp Maai Mahiu. Onze eigen Astrid was één van hen en schreef in tien delen over deze unieke ervaring. Vandaag deel 2: Deceptie.

Dag twee begint goed. Lekker rustig aan, een weg waar je niet zo hoeft op te letten op gaten of mul zand én een weg die licht naar beneden loopt. Samen met Teun voer ik de meute aan en trappen we de eerste kilometers ontzettend makkelijk weg. De eerste stop is niet de koffiestop op 30 kilometer, maar de zebra-stop op 20 kilometer. Wat een mooie en bijzondere beesten!! Het is ook op deze weg dat we een heleboel kaketoe’s en roofvogels zien. Indrukwekkend en wat is dat genieten.

Na een kop thee en een lekkere droge koek, stap ik al snel weer op de fiets. Na het zebra spotten én een lekke band ben ik mijn fijne groepje namelijk uit het oog verloren en nu kan ik weer aanhaken. Het eerste half uur fiets ik lekker met hen op, maar al snel merk ik dat ik het tempo niet meer kan bijhouden. Dus, verder op m’n eigen tempo. Als ik op een lange rode zandweg kom, die ellenlang door lijkt te lopen tot onderaan een berg, ben ik meer bezig met het vinden van een schaduwplekje dan met het fietsen.

Dit plekje vind ik en ik ga rustig zitten om de rest van de groep te filmen. Waar Ernst gisteren toen ik ergens stond te filmen riep ‘dat is geen excuus om stil te staan!’, is het dat nu dus wel degelijk. Als zo’n beetje de laatste groep langs komt, weet ik dat ik weer in de benen moest komen. Dat lukt, maar met moeite. De weg gaat op een gegeven over in een geweldig MTB-pad. Niet dat ik er van kan genieten, want ik heb niet de energie en kracht om te balanceren en te voorkomen dat ik in de geulen terecht kom. Dat wordt dus wandelen. Wandelen tot ik bij de rest van de groep kom, die onder een mooie boom in de schaduw zit.

Fiets aan de kant, leunen tegen de boom en eigenlijk niks meer kunnen. Hannie vraagt hoe het met me gaat en huilend komt er uit ‘ik ben moe, zó moe’. Na de 30-urige vlucht, de te korte nachten in het hotel (door onrust in mezelf én door een te late briefing), de heftige inspanning van gisteren gevolgd door wederom een korte nacht… ik trek de hitte echt niet meer. Het voelt alsof alle energie uit me weg geslurpt wordt, alsof de stekker er uit getrokken is. Ik zijg neer onder de boom en voel me verslagen, net als Marc die ligt en ontzettend misselijk is. Hannie probeert ons te overtuigen dat het ook leuk moet blijven, dat we na alle energie en inzet, al vóór Kenia, hier ook zijn om te genieten, dat er hierna nóg zeven dagen komen, oftewel dat in de bezemwagen stappen een ontzettend goed idee is. Ook komt er nog een vlindertje bij me zitten. ‘Om je op te beuren’ zegt Hannie. Voor mij het teken dat Hannie gelijk heeft en ik er vrede mee mag hebben als ik in de jeep stap. Maar toch, toch vinden Marc en ik dat niet. Nadat we wel een half uur onder die boom hebben gezeten, gaan we samen met Paul en Hannie verder.

We komen op een bergpad, een pad waar mijn MTB-hart keihard van zou moeten bonken, maar dat niet doet. Ik heb het te zwaar, val om in het mulle zand, we moeten vaak lopen en staan té vaak stil om te schuilen in de schaduw. Marc trekt het op een gegeven moment echt niet meer en stapt in de bezemwagen. Hannie is al door en samen met Paul ben ik vastbesloten de lunch te halen. Nog geen kilometer verder echter, heb ik een lekke band, knapt er iets van binnen en is de vechtlust weg. Ik kan echt niet meer en kruip verslagen naast Marc in de jeep.

We zijn al snel bij de lunchstop, waar mensen vragen hoe het gaat. Weer komen de tranen als ik vertel dat ik ben afgestapt en net uit de jeep kom. Hellen geeft me een dikke knuffel en Bertie is het die een glimlach op m’n gezicht weet te toveren. ‘Wat ontzettend mooi dat mensen hier zó door geraakt worden, daar heb ik dus helemaal geen last van.’

De rest van de dag zit ik in de jeep die op de groep vooruit gaat. Stukken rijden, geinen met de rest, de route uitzetten, water geven aan de fietsers en weer een beetje bijkomen. Dit gaat zo door tot er haast gemaakt moet worden om op het kamp te komen. Net als gisteren zijn er veel mensen afgevallen en de jeeps zitten vol. Ze moeten ons afzetten en dan terug naar de rest. We zitten namelijk nog zo ver van het kamp dat ze er niet op vertrouwen dat de fietsers voor het donker over zijn. We zitten écht in the middle of nowhere, echte wegen zijn er niet meer, de wegen die op de GPS staan zijn in het regenseizoen weggespoeld en er is geen bereik. We lijken rond te dwalen, maar onze chauffeur, Eric, laat zien dat ie zo in Parijs-Dakar mee zou kunnen doen en straalt gelukkig uit dat hij wel weet waar we zijn, dat het goed komt. En dat komt het, want op het kamp komen we.

Daar aangekomen worden de jeeps zo snel als we kunnen leeggehaald (die zaten niet alleen vol met ons, maar ook met onze bagage en beladen met onze fietsen). Jeeps terug en wij gaan maar vast wat banden plakken. Tot het donker wordt en de bezorgdheid de kop op steekt. We hebben namelijk zelf gezien waar er gefietst moet worden, hoe makkelijk je kan verdwalen, dat er géén bereik is… we vinden het maar niks. De jongens op het kamp blijven gelukkig kalm en na veel wachten en wachten, de bezorgdheid bij elkaar proberen weg te praten, nog eens proberen te bellen, tevergeefs, en nog eens vragen of ze iedereen echt bij elkaar hebben, komt daar dan eindelijk een teken van fietsers. Ver na negenen is het, maar ze zitten nog op de fiets! Hoe ze het gedaan hebben snappen we niet, maar wat een opluchting…

Dat we zo niet verder kunnen is duidelijk. Niet alleen zijn er maar vijf mensen die beide etappes ‘overleefd’ hebben, ook zijn er na vandaag meer dan zeventig lekke banden. De meeste fietsers zouden morgen dus niet eens op de fiets kunnen, omdat er simpelweg geen tijd is om de banden geplakt te krijgen. Dus wordt het besluit: de mensen die de 750km nog kunnen halen gaan morgen fietsen, de rest krijgt een rustdag, met een bandenplaksessie en een busreis. Kort, maar krachtig en iedereen legt zich er dan ook bij neer. Niet wat we willen, maar we weten allemaal dat het niet anders kan.

Ik help nog even om de fietsen van de groep van vijf in orde te maken, om te zorgen dat zij goede banden mee hebben en steek ze nog een motiverend briefje toe. Dan toch eindelijk maar slapen, de dag snel vergeten en morgen proberen uit te slapen. Het voelt als een deceptie, want na morgen heb ik dus nog maar anderhalve dag van de drie gefietst. Dat is absoluut niet waar ik zo voor getraind heb en negen maanden naar toe heb geleefd: ik baal…

 

Astrid

SVS is voor Astrid de kans om over de dingen die zij belangrijk vindt te vertellen. De sportieve computer nerd ervaart de natuur als haar thuishaven, haar rustpunt. Fietsend door Kenia, zwemmend in een Fjord in Noorwegen. Maar ze staat met haar werk in de IT ook midden in de moderne wereld. Midden in de drukte van deze tijd, het luide roepen van mensen op social media en het uitputten van de aarde door de mens, probeert Astrid haar weg te vinden. Balans te bewaren en kleine manieren te ontdekken om zo mooi mogelijk te leven. Schrijven voor onze site doet ze niet vaak, maar zodra ze het doet is het altijd raak

No Comments Yet

Leave a Reply

Your email address will not be published.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.