“Mama, het is gelukt.” zeg ik met een piepstem over de telefoon. Ik zit met mijn medaille van de IJsselloop op de bank, onder een dekentje, met naast me een kopje thee. Mijn keel doet pijn en ik moet de hele tijd hoesten. Ik heb het koud en voel me rillerig terwijl ik aan mijn moeder vertel hoe het gegaan is: “Ik was amper uit het startvak, misschien had ik 100 meter gelopen en toen wist ik het al. Dit gaat hem niet worden.”

Na al een paar dagen hoesten waren mijn longen simpelweg niet in staat mijn lichaam en spieren van voldoende zuurstof te voorzien. Maar ja, ik wilde ook niet stoppen. Ik vertel mijn moeder over al die lopers die me inhaalden. Hoe ik om me heen keek en bang was voor wat er komen ging en hoe ik op de brug achter de twee meisjes in roze dook. Zij liepen heel rustig. En ik voelde me echt niet goed. Achter hun ontspannen rustige loop voelde ik me veilig. Daar kon ik alle andere lopers voorbij laten gaan. ‘Misschien vormen we wel een groepje meisjes’ dacht ik toen er nog iemand bij ons lopen kwam.

En dan vertel ik mijn moeder over het stukje na de brug, op het stoffige zandpad. Drie kilometer gaf het bordje aan. En ik wanhoopte, vertel ik en mijn moeder luistert aandachtig. “Ik wist niet of ik nog verder kon mam en ik kreeg pijn aan mijn zij. Ik wilde opgeven en moest bijna huilen. Nog meer lopers haalden me in. Dus ik keek over mijn schouder en gelukkig was ik nog niet de laatste.”
In mijn hoofd zag ik het al gebeuren dat ik als laatste aan zou komen bij de finish op een inmiddels lege Brink. Waar dan nog net een streepje op de weg staat en waar een paar bekertjes wegwaaien in de wind. Mijn moeder lacht. Ze kent me al langer dan vandaag en weet dat ik enorm heb afgezien en dat ik stiekem wel een beetje baal. Want hoewel ik mijn eerste tien liep en beweerde dat ik niet voor een specifieke tijd zou gaan, had ik wel een wens tijd. Een tijd die ik heel graag wilde halen. En zelfs toen ik ziek aan de start stond, had ik die hoop nog, maar bij elke stap die ik liep werd die hoop minder. Tien kilometer lang. En hoewel ik mezelf niet op mijn zieke kop zat en blij was met mijn medaille, was ik me er ook wel enorm bewust van dat andere lopers veel sneller waren.

 

“Oh, wat knap van je.” zegt mijn moeder met die typische lieve mama-stem, “Je hebt de finish gehaald, ik ben trots op je.”

 

“Ja hè mam, het is knap hè?” zeg ik.

 

“Echt wel.” bevestigt ze.

 

We hangen op en ik val in slaap. Op de bank, met het dekentje en de thee, die is koud als ik een uur later – met mijn medaille nog in mijn hand – wakker word.

 

Ik liep mijn eerste tien kilometer in een uur en 27 seconden. En nu duik ik mijn bed weer in. Ik ben ziek.

Rose

Editor in chief en founder van Stoere Vrouwen Sporten. Rose schreef voor bladen als Fiets magazine, Grinta!, Fietssport en de Flair, Ze merkte dat ze het aanbod voor actieve vrouwen matig vond. Meestal gaat dat over slank zijn en afvallen. Voor Rose is een actief leven zoveel meer. Daarom begon ze deze site. Samen met haar team is het haar missie om zoveel mogelijk vrouwen te helpen vreugde, balans en activiteit in hun leven te brengen. Rose fietst, rent, kookt, schrijft en geniet.

1 Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.