‘Je bent halverwege Rose. Alleen het laatste stukje nog, dat is maar 200 meter. Je kan dat halen.’ vertel ik mezelf. Ik ren door de bocht en let op mijn techniek. Mijn ademhaling klinkt zwaar, ik krijg hem niet onder controle. Tijdens een kort stukje sprinten maakt dat niet uit. Dan weet je dat je geen lucht hebt en dat je zo klaar bent. Nu is dat anders.
Mijn blik richt zich op de reclameborden langs de baan. Zo zie ik niet hoe ver ik nog moet. Al weet ik het natuurlijk wel. Nog 150 meter. Ik heb geen lucht. Mijn benen doen pijn. Ze rennen door. De borden veranderen in vage kleuren waar ik langs ren. Ik voel mijn trainer kijken en ren door. Ik wil lucht hebben verdomme. Ik kan dit niet, ik red het niet! Zet door! Lopen!
Nog 100 meter. Het lukt echt niet meer. Maar echt niet, mijn benen wiebelen, mijn longen doen pijn en ik wil niet meer lopen. 90 meter, iets minder hard, dan red ik het nog. Let op je ademhaling. Negeer je hoofd en zet door, je kan het. 80 meter, dit is de afstand die je normaal gesproken zo lekker vindt, dus dat hoef je alleen nog maar te doen. 75 meter, het is helemaal niet lekker, dat is het al een tijdje niet. 70 meter… ik geef op. Verdomme ik geef op. Ik loop over de baan terwijl anderen voorbij me rennen.

En zodra ik wandel heb ik spijt. Zoals dat altijd met opgeven is. Het moment voor het opgeven is zo intens en duurt lang, maar zodra je opgegeven hebt verdwijnt de pijn binnen een seconde en lijkt het de vreemdste keus die je ooit gemaakt hebt.

Zo langzamerhand begin ik te twijfelen aan mezelf. Ik train met een doel, want ik heb een droom. Ik wil leren sprinten en een keertje aan de start van een wedstrijdje staan. Ik wil zien hoe hard ik kan op de 100 meter. En daarom ben ik dit voorjaar naar de atletiekbaan gegaan.
Hoewel ik wist dat ik hard moest werken om te leren sprinten en me daar ook op instelde, had ik ergens ook de hoop dat ik er goed in zou zijn. Dat ik het misschien wel zomaar even zou doen en een onbekend talent in mezelf zou ontdekken.
Wat ik vond op de atletiekbaan was alles behalve dat. De eerste maanden had ik alleen maar blessures en lag ik wekelijks op tafel bij de fysio. Ik leerde dat mijn lijf scheef was en dat ik een slechte rug heb. Dus ging ik werken aan mijn core en ving daar veel mee op. Toen kwam de zomer en mocht ik eindelijk echt gaan trainen. Vrij van blessures.
Het was te gek. Ik leerde nog meer te lopen op mijn voorvoet, spande mijn core aan en tilde mijn knieen hoog. Voor de eerste keer vloog ik over de baan en voelde kracht en snelheid in mijn lijf. Ik stuiterde zoals je alleen kan doen als je echt snel gaat op de baan.
De meisjes van 20 en 16 waar ik mee trainde moesten hun best doen me bij te houden. Maar die jongen die ook meetrainde? Die vloog me voorbij. In strakke gecontroleerde bewegingen in een ongekende vaart. Ik wilde meer, ik wilde zo snel worden als hij en richte me naast de gewone trainingen meer op kracht. Zodoende had ik een vol programma. Werken aan mijn armen, core en benen. Zo trainen dat ik stabieler en explosiever werd. Bijna elke dag weer. In samenspraak met mijn trainer natuurlijk. Steeds als ik iets bedacht legde ik het aan he voor en vroeg hem of dat kon.

Maar toen werd ik moe.

Het was druk bij Stoere Vrouwen Sporten, ik was nog niet op vakantie geweest en had minder zin om op gezette tijden op tijd op training te zijn. Ik nam rust, een paar weken, eigenlijk precies zoals ik ook deed toen ik nog fietste. September, oktober een week of wat iets rustiger aan en daarna weer opbouwen. Dat is wat ik doe nu. Opbouwen. Rennend op de baan afstanden van 200, 400, 600 en 800 meter afleggen en zodoende meer inhoud kweken.
Dat is zwaar. Ik verzuur en kan mijn ademhaling niet onder controle houden. Het is ademhalen of de rest bijhouden. En dat laatste lukt me niet. Ze zijn sneller dan ik. Niet zo gek, ze zijn ook allemal jonger dan ik, sommigen meer dan 20 jaar.
Ik ren bijna de hele training alleen. Met een hoofd wat tegen me praat. Wat zich afvraagd of ze me geen loser vinden of dat ze denken dat ik lekker moet gaan joggen in het park. Mijn hoofd wat me vertelt dat ik dat sprinten maar moet laten omdat ik toch nooit snel zal worden. En mijn hoofd wat harder schreeuwt dan mijn benen rennen kunnen. Zo hard dat ik het bijna geloof en op het punt sta mijn sprintdroom op te geven.

Maar dan komt het laatste deel van de training. 2 blokken van 5 keer 30 meter waarbij we de 30 meter voluit sprinten, omdraaien en weer gaan. En dat vijf keer. Samen met de hele groep. Terwijl we allemaal doodmoe zijn. En dan gebeurt het. Het eerste sprintje, de jongens lopen voorop en ik start ergens achteraan. Ik start, probeer een gat in de lucht te boren. Pats, pats, pats alles te geven en hou dan vast, laat los, draai me om en ga weer. Ik sta midden in de groep die ik de hele training niet gezien heb omdat ze sneller dan ik waren. Het tweede sprintje, ik start, zet aan, en zie twee meisjes van een jaar of 18 voor me. Het zijn de twee meisjes die ik de hele training niet kon bijhouden. Ik nader ze, kom er niet langs en ik … moet … INHOUDEN, inhouden om niet tegen ze op te botsen.

Fuck yeah!

Rose

 

stoere vrouwen sporten trui

Rose

Editor in chief en founder van Stoere Vrouwen Sporten. Rose schreef voor bladen als Fiets magazine, Grinta!, Fietssport en de Flair, Ze merkte dat ze het aanbod voor actieve vrouwen matig vond. Meestal gaat dat over slank zijn en afvallen. Voor Rose is een actief leven zoveel meer. Daarom begon ze deze site. Samen met haar team is het haar missie om zoveel mogelijk vrouwen te helpen vreugde, balans en activiteit in hun leven te brengen. Rose fietst, rent, kookt, schrijft en geniet.

No Comments Yet

Leave a Reply

Your email address will not be published.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.