Fietsen is echt heerlijk. Je kan het doen op de weg of in het bos, samen of alleen, bloedserieus of alleen als een beetje recreatie. In tegenstelling tot veel andere sporten is het ook meteen leuk. Toen ik de eerste keer op een racefiets stapte was ik verbaasd, zo genoot ik er van. Maar het is ook wel spannend, vooral afdalingen of spannende bochten op een regenachtige dag. Voor die momenten is een goede techniek belangrijk. Want zit je goed op je fiets en weet je wat je moet doen? Dan is zelfs een haarspeldbocht in de Alpen nog goed te doen.

 

Iets minder druk

Bandenspanning – hoe hard je je banden maakt – is een dingetje onder fietsers. Harde banden zorgen voor minder weerstand en zachtere voor wat meer grip. Wedstrijdrenners houden daar rekening mee. Een wedstrijd op een droge dag wordt vaak met hardere banden verreden en eentje als het regent juist met wat zachtere.

De bandenspanning meet je in bar. Een speciale racefietspomp heeft zo’n metertje waarop je de hoeveelheid bar in je banden af kunt lezen. Maar deze pompen doen nog meer. Ze pompen meer lucht. Wist je dat een gewone fietspomp niet sterk genoeg is om voldoende lucht in een raceband te persen? En dat fietsenmakers hun automatische bandenpomp vaak zo afstellen dat ze banden niet te hard oppompen. Op die manier blazen mensen de banden van hun gewone fiets niet kapot.

Racefietsers pompen hun banden meestal tussen de 7 en 8 bar. De hoeveelheid is afhankelijk van je gewicht. Ben je lichter dan 70 kilo dan is 7 bar genoeg. Tussen de 70 en 80 kilo kies je voor ongeveer 7,5. Ben je zwaarder dan 80? Dan heb je 8 bar nodig. Je voorband mag iets zachter dan je achterband zijn. Dit geeft een zekerder rijgevoel en je stuitert minder.

Mountainbikebanden zijn zachter, rond de 1,5 tot 3,5 bar. De hoeveelheid is afhankelijk van de omstandigheden en natuurlijk je eigen gewicht en dat van je fiets. Met hele harde banden heb je op een modderig parcours geen grip, maar in de sneeuw juist weer wel. Ik ga altijd met harde banden naar het bos en voel na een klein stukje fietsen hoe het bos er bij ligt. Dan pas ik mijn banden aan. Let op: te zachte banden kunnen bij boomwortels voor een stootlek zorgen. Rijd je vaak op de velg? Dan kan je wel wat meer lucht gebruiken.

 

Tip van Lars Boom

Echt goed fietsen leerde ik van Lars Boom. Voor een artikel interviewde ik hem en gaf hij me fietstips. Veel wielervolgers kennen Lars Boom tegenwoordig als een wielrenner op de weg. Hij reed onder andere voor Rabobank en Belkin. Nu is hij een Astana-renner. Voordat Lars wegwielrenner werd, was hij veldrijder. En niet zomaar eentje! Lars is zo vaak Nederlands kampioen geweest, dat we hem haast niet herkennen in een ander wielershirt dan het rood-wit-blauwe tricot. In 2007 schreef hij ook nog de wereldtitel op zijn naam.

Lars vertelde me om eens te oefenen in het gras. Zo zou ik mijn lichaam en fiets leren kennen. Kleine rondjes, achtjes en sur place waren de dingen die ik probeerde op het gras. Door de zachte ondergrond was ik minder bang te vallen en ontdekte dat ik hele kleine bochtjes kon nemen. Sturen met mijn lichaamsgewicht gaf me een zekerder gevoel dan het omgooien van mijn stuur. Bovenal werd ik een met mijn fiets en vertrouwde ik op mijn materiaal. Of ik mijn handen nu op het stuur, de shifters of in de beugels had, het voelde goed.

Nog steeds doe ik het zo nu en dan: spelen in het gras. Rondjes linksom en rechtsom, achtjes en stilstaan. Probeer het ook eens.

 

Bochtenwerk

Volg je ogen en gebruik je voeten. Wist je dat je vanzelf daar heen rijdt waar je je ogen op richt? Ik weet nog goed hoe ik tijdens mijn eerste wedstrijden de bochten volledig verknalde en zodoende een gevaar voor andere fietsers was. Ik was bang om tegen andere fietsers aan te rijden en keek daarom naar ze. Terwijl ik dat deed, voelde ik mijn fiets naar ze toe gaan en ging nog krampachtiger sturen. Pas toen ik ging downhillen, leerde ik door de bocht te kijken. Dit houdt in dat je kijkt naar het punt waar je heen wil. Dus niet naar de bocht zelf, niet naar een andere fietser en ook niet naar de grond.

Ik kijk naar die plek na de bocht waar de weg weer gewoon lijkt. En als ik dat doe stuur ik vanzelf mee. Dit is alleen maar mogelijk omdat ik, ver voordat ik bij die bocht kwam, al had gekeken hoe de lijn van de bocht liep. Als je dat eenmaal hebt gezien, kun je op jezelf vertrouwen en door de bocht kijken. En vergeet niet: je fiets wil rechtop blijven, het is vaak ons eigen gedrag waardoor we vallen.

Toch is er nog wel een dingetje waar je op moet letten in de bocht als je op je racer zit: je voeten. De pedaal van de binnenkant van de bocht moet hoog zitten. Je houdt dus even je benen stil. Zit dat pedaal laag, dan loop je het risico de grond aan te tikken. Wat er dan gebeurt, is echt vervelend want je gaat niet zomaar op je plaat. Je draait met je hele fiets om de as heen en schaaft over het wegoppervlak. Niet echt geruststellend. Gelukkig wen je er vanzelf aan en zal je voor het weet ook je benen even stil houden als je met je stadsfiets bochten rijdt.

Volgende week komen we met nog meer fietsweetjes. Mocht je vragen hebben of wil je dat we iets aan je uitleggen? Laat het ons weten, we doen er graag wat mee!

Rose

Editor in chief en founder van Stoere Vrouwen Sporten. Rose schreef voor bladen als Fiets magazine, Grinta!, Fietssport en de Flair, Ze merkte dat ze het aanbod voor actieve vrouwen matig vond. Meestal gaat dat over slank zijn en afvallen. Voor Rose is een actief leven zoveel meer. Daarom begon ze deze site. Samen met haar team is het haar missie om zoveel mogelijk vrouwen te helpen vreugde, balans en activiteit in hun leven te brengen. Rose fietst, rent, kookt, schrijft en geniet.